Bloemen en boeken

9 april 2026

De tijd vliegt, bijna zonder dat je er erg in hebt. Mijn vorige weblog eindigde ik met twee foto's van vuurtoren De Ven in de sneeuw, maar inmiddels is de lente aangebroken en groeien her en der de eerste bloemen op de dijk. Onderstaande foto maakte ik een paar weken terug bij De Ven: een bosje speenkruidbloemen in het frisgroene gras, met in de verte op de achtergrond het eeuwenoude vuurbaken. Een heel verschil met de sneeuwfoto's van januari!

Lente bij De Ven, in de vorm van bloeiend speenkruid

Een ander nieuw begin, maar dan op "schrijfvlak", betreft mijn boek, waarvoor ik inmiddels ben begonnen aan wat leeswerk voor hoofdstuk 9. Het onderwerp hiervan wordt een van dé grote iconen van het oude Egypte: mummies. Maar voor ik aan het schríjven van dit hoofdstuk kan beginnen, moet ik eerst hoofdstuk 8 nog voltooien. In het kader hiervan was ik vandaag naar Amsterdam, naar de bibliotheek van de hoofdstedelijke universiteit. Na eerder de bibliotheken van onder meer Teylers, de Leidse universiteit, het Rijksmuseum en de K.B. te hebben bezocht (zie de linkjes), was dit alweer mijn áchtste bibliotheek. Nu denkt u wellicht: waarom zoveel verschillende? Maar dat is met een reden. De vorm waarin ik mijn boek probeer te "gieten" is namelijk die van een soort tocht langs verschillende bijzondere bibliotheken, die elk een bijzonder boek in hun collectie hebben dat iets laat zien over de herontdekking van het oude Egypte. Dit kan gaan om prenten van verdwenen tempels, om een eerste beschrijving van de gekraakte hiërogliefencode of om een reisverslag over de ontdekkingen en ontberingen van vroege reizigers. Verstopt in donkere depots leiden deze antieke pillen een beetje een vergeten bestaan, maar samen vertellen ze het wonderlijke verhaal van de avonturiers en archeologen die aan de basis stonden van de egyptologie. En om dat verhaal goed te kunnen vertellen, wil ik elk van de betreffende boeken met eigen ogen aanschouwen. Niet online, niet als opgestuurde pdf, maar stuk voor stuk in de bibliotheken waar deze boeken worden bewaard.

A Thousand Miles Up the Nile van Amelia Edwards, opengeslagen in de leeszaal Bijzondere Collecties van de UvA-bibliotheek

Het boek dat ik voor hoofdstuk 8 heb bekeken in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam (waar ook het museum Allard Pierson en de boekencollectie van dierentuin Artis onder vallen) betreft A Thousand Miles Up the Nile, van de Britse schrijfster en feministe Amelia Edwards. Behalve een verslag van haar reis door Egypte in 1873-1874, is het boek onbewust ook een getuigenis van veranderende tijden. Zo passeren in A Thousand Miles treinen, fabrieken en telegraafpalen de revue, terwijl haar beschrijvingen van tempels en andere monumenten aanzienlijk beter onderbouwd waren dan die in dat andere beroemde reisverslag, van Belzoni, dat ik eerder heb bekeken (voor hoofdstuk 3) in de bibliotheek van het Rijksmuseum van Oudheden. Dit laat mooi zien hoezeer de egyptologie zich gestaag ontwikkelde in de negentiende eeuw. Het boek van Amelia Edwards verscheen in 1877 en was meteen een bestseller, maar dat is niet de enige reden dat A Thousand Miles Up the Nile in mijn hoofdstuk 8 zo nadrukkelijk genoemd wordt. Na haar terugkeer in Engeland richtte Edwards, geschokt door het verval van Egyptes monumenten en door de voortgaande schattenjacht in die dagen, namelijk een speciaal fonds op dat bedoeld was voor serieus onderzoek en serieuze opgravingen. Deze Egypt Exploration Society bestaat vandaag de dag nog steeds en doet nog altijd onderzoek naar de farao's en hun monumenten. Alle reden dus voor een prominente rol in mijn eigen boek!

Amelia Edwards was naast schrijfster ook tekenaar, die haar boek voorzag van verschillende illustraties

Ergens in het vijfde hoofdstuk van haar boek heeft Edwards het over een stad die ze "squalid, dreary and depressing" noemt, en waar het noodzakelijk was "to keep a sharp look-out against thieves". Ofwel: het was er armoedig en akelig en je moest er op je hoede zijn voor dieven. Deze woorden betreffen de plaats Minieh langs de Nijl anno 1873, maar het had net zo goed over Amsterdam aan het IJ in 2026 kunnen gaan. Deze stad namelijk wordt steeds viezer, met de hoogste criminaliteit van Nederland, dag in dag uit schreeuwende mensen op straat, duizenden daklozen en inmiddels een schuld van tien miljárd. Genoeg te doen dus voor de plaatselijke politiek, zou je zeggen. Maar die hebben hele andere prioriteiten. Zo zijn ze druk met excuses voor iets dat anderhalve eeuw geleden speelde, doneren ze miljoenen aan Palestina, willen ze kinderen uit Gaza halen om hier te verzorgen en importeert de stad treinladingen vol huisvuil uit Italië, om ergens langs het IJ te verbranden. Alsof Amsterdam zelf geen huizenhoog afvalprobleem heeft! Ze hebben er de blik op internationaal, maar lijken de verloedering in hun eigen straten vergeten. De stad kampt met schulden, misdaad en armoe, maar bemoeit zich volop met de rest van de wereld, vanuit een soort air dat zij wel zouden weten hoe alles in elkaar steekt. Wie zíjn toch die mensen, vraag je je af...

Een kapotte vuilnisbak in hartje Amsterdam, op het Spui naast The American Book Center