Drie artikelen
Wie aan het oude Egypte denkt, denkt al snel in superlatieven. Een graftombe vol met goud, kolossale piramides en mummies van twee-, drie- of zelfs vierduizend jaar oud. Toch is dit niet het hele verhaal. Naast de farao, woonden er in het oude Egypte vooral ook heel veel heel gewone mensen, die er heel gewone levens op nahielden. Ze werkten, aten en sliepen, kregen kinderen, vierden weleens een feestje en hadden zo nu en dan ook ruzie met elkaar. Eerder dit jaar vond ik in een boekhandel in Hoorn een boekje van het Papyrologisch Instituut in Leiden, met daarin een opmerkelijk verhaal over enkele ruim tweeduizend jaar oude papyrusteksten. Het liet een heel andere, veel menselijker kant zien van het oude Egypte: geen clichés over goud en piramides, maar een inkijkje in een ruzie en in de opvallend moderne afwikkeling daarvan. Ik heb het boekje gekocht, het betreffende hoofdstuk gelezen (het was taaie kost) en twee vellen vol notities gekrabbeld, op basis waarvan ik daarna een eigen artikel heb geschreven over dit alledaagse stukje oud Egypte. De grote vraag daarna was of een tijdschrift er iets mee zou willen. Zouden lezers wel geïnteresseerd zijn in een verhaal over papyrus, in plaats van over goud en piramides? Of was dit onderwerp misschien toch te saai? Anders gezegd: had ik deze taaie geschiedenis goed genoeg weten te verwoorden voor een populair blad? Dit bleek gelukkig het geval. Bij de redactie van KIJK Geschiedenis waren ze enthousiast ("een leuk verhaal, complimenten van de eindredacteur") en afgelopen woensdag is mijn artikel verschenen in het nieuwste nummer van dit tijdschrift. Een mooie manier om de lezer iets te laten zien over de "gewone" kant van het oude Egypte!
Vonnis op papyrus, deze maand verschenen in KIJK-Geschiedenis
Ook een heel gewoon mens, maar dan eentje met een buitengewoon leven, was Giovanni Battista Belzoni. Deze Italiaanse kapperszoon begon zijn carrière in 1803 als krachtpatser in Engelse circussen en theaters, raakte verzeild in Egypte en maakte daar furore als ontdekkingsreiziger en schatgraver. Hij versjouwde een beeld van Ramses naar de Nijl, groef zich een weg door het mulle zand naar de ingang van een tempel, ontdekte het graf van farao Seti I én het binnenste van de tweede piramide van Gizeh, trok de woestijn in naar een verloren handelsstad en verzamelde en passant een hele berg oudheden. Dit alles deed hij met toestemming van de Egyptische pasja en van de plaatselijke sjeiks, maar onder dreiging van jaloerse Franse concurrentie. Een leven zo vol van avonturen is natuurlijk gemáákt voor een artikel, en gelukkig zijn ze dit bij
National Geographic Historia met mij eens. Eerder dit jaar heb ik iets over Belzoni geschreven en ingestuurd en binnenkort verschijnt dit in het blad. Het was een flinke uitdaging om al zijn avonturen en ontdekkingen samen te vatten in circa 1200 woorden, zonder de sjeu uit het stuk te halen, maar het is me gelukt. En een leuk extraatje: bij het stuk komen twee kadertjes, waaronder eentje over de albasten sarcofaag van Seti I. De foto bij die laatste heb ik afgelopen mei zelf kunnen maken in het
Sir John Soane's Museum in Londen.

De albasten sarcofaag van farao Seti I in het Sir John Soane's Museum in Londen
De naam Belzoni was voor mij geen onbekende: hoofdstuk 3 van het boek dat ik momenteel aan het schrijven ben is voor het grootste deel aan deze wonderlijke avonturier gewijd. In dat kader ben ik een kleine twee jaar geleden ook naar de museumbibliotheek van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden geweest, waar ik Belzoni's reisverslag uit 1820 mocht bekijken. Inmiddels ben ik met mijn eigen boek echter aanbeland bij hoofdstuk 10, wat in principe het laatste hoofdstuk is. In deze "finale" moeten een hoop onderwerpen aan bod komen, waaronder de beroemde Toetanchamon. Dat wil zeggen: niet alleen het overbekende verhaal van de ontdekking en zijn goud, maar ook het begin van Carters carrière en de woelige nasleep van de grote vondst. Alles bij elkaar betekent dit veel leeswerk, maar ook een ingewikkelde puzzel. Van alle onderwerpen moet ik één samenhangend, leesbaar verhaal maken. Geen droge opsomming, maar een vloeiend geheel, waarin alle afzonderlijke "blokken" op een natuurlijke manier op elkaar aansluiten. Afgelopen tijd borrelde er af en toe ideetjes bij me op over hoe dit aan te pakken, of puntjes die ik niet moet vergeten aan te stippen. Net als bij de voorgaande hoofdstukken van mijn boek heb ik deze allemaal eerst op losse briefjes gekrabbeld, en net als bij de vorige hoofdstukken heb ik al deze kladjes later aan elkaar gekoppeld in één samenhangend schema. Op die manier weet ik zeker dat ik geen belangrijke zaken vergeet én dat het hoofdstuk niet onverhoopt alsnog een droge opsomming wordt.

Alle losse ideeën en bruggetjes (rechts) heb ik kunnen verwerken tot één vastomlijnd schrijfplan (links)
Een belangrijke figuur die aan bod komt in hoofdstuk 10 is Flinders Petrie, dé pionier van de archeologie. Deze wonderlijke Brit had bij zijn opgravingen heel veel aandacht voor het kleine, in plaats van louter voor het grote, en was daarin baanbrekend. In Londen heb ik afgelopen mei
zijn museum bezocht, waar in lange vitrinekasten ontelbare aantallen kale aardewerken potten en kralen, maar ook talloze reliëfblokken liggen. Één van deze blokken trok toen meteen mijn aandacht, vooral vanwege de plaatsnaam op het kaartje. Het blok bleek namelijk afkomstig van een tempel die halverwege de negentiende eeuw is gesloopt. Dit leek mij een interessant onderwerp voor een artikel, dat ik afgelopen tijd heb geschreven en onlangs naar Archeologie Magazine heb gestuurd. Al heel kort daarna kreeg ik antwoord van de hoofdredacteur: hij wil het graag plaatsen! De nadruk in het artikel ligt op het feit dat de tempel thans weliswaar is verdwenen, maar nog wél voortleeft op papier, in de vorm van oude prenten en tekeningen. Dit laat mooi het belang zien van oude boeken. Het monument zelf is helaas verdwenen, maar gelukkig hebben we
de platen nog. Hierover gesproken heb ik tot slot nog een foto uit eigen tuin, waar ik deze zomer bezoek kreeg van een bijzonder beestje. Het dier zelf is inmiddels al lang en breed gevlogen (misschien is ie zelfs al dood, geen idee hoe oud ze worden), maar gelukkig heb ik de foto's nog. Het beestje was een
kolibrievlinder, dat met een heel lange snuit van bloem naar bloem vliegt, met vleugeltjes die net als die van een kolibrie razendsnel heen en weer gaan. Een prachtig dier!

Een kolibrievlinder op de vlinderstruik. Als je ernaast staat, kun je zijn vleugeltjes horen klapperen!
